Valk

Ex-burgemeester Stefaan De Clerck en echtgenote Mine De Jaegere laten als grote kunstliefhebbers voor het eerst zien wat ze op gebied van kunst zo allemaal in huis hebben. De expositie “1975, een keuze uit de kunstwerken van Stefaan De Clerck en Mine De Jaegere “ loopt in de bib van college De Valk, faculteit Rechten te Leuven. Nog tot 23 juni. Stefaan en Mine studeerden daar af in 1975. Zij doen zich graag voor als een replica van het miljardairs-kunstverzamelaarskoppel mijnheer en mevrouw Fernand Huts. Ze reiken nog niet tot aan hun enkels. Maar toch.

Stefaan en Mine waren ijdel genoeg om op het aanbod van De Valk in te gaan, maar durven niet in Kortrijk exposeren. Er zouden lastige vragen gesteld kunnen worden over de herkomst, de prijzen, de dollars, de daglichtschuwende connecties binnen en buiten de kunstwereld en de politiek, de zwendel, de politieke vriendjesdiensten en waar het kunstkennerskoppel het geld vandaan heeft gehaald om een dure en exclusieve collectie bijeen te harken. Hun voorliefde gaat naar de zogenaamde ‘hedendaagse kunst’, moderne kunst dus, alhoewel die volgens Gustav Klimt eigenlijk niet bestaat want ‘Kunst is tijdloos’ zegt Gustav.

Stefaan : Ik ben geen échte verzamelaar van kunstwerken en geen Jan Hoet. Ik ben eerder een visser naar kunst, net als mijn vrouw Mine De Jaegere. In mei 1974 heb ik haar opgevist uit de vijver van muurbloemen op een van die wekelijkse zondagse dansavonden in ’t kasteel van ’t Hoge, toen uitgebaat door de christelijke middenstands-en burgervrouwen van Kortrijk. Huwbare dochters uit middenstands- en burgerkringen die nergens elders aan een serieuze vrijer geraakten, geraakten in ’t kasteel van ’t Hoge op een of andere zondagavond uiteindelijk toch van straat. Zo ook Mine. Geen oneer want Mine was redelijk knap en intelligent, niet gespeend van humor, en, na mislopen vrijages met minabele middenklassers, viel ze uiteindelijk als een rijpe vrucht in mijn schoot. Een pas afgestudeerde rechtenman uit een hoger middenstandersgeslacht, dat kon niet scheefgaan.

Jarretel : Hoe ben je aan al die kunstwerken geraakt ? Ze zien er niet goedkoop uit en komen zeker niet van de Sinksen rommelmarkt.

Stefaan : Ik wil daar heel eerlijk in zijn. De werken die je in de tentoonstelling ‘1975’ ziet, zijn niet bewust samengebracht. Het zijn werken die in de stroom van het dagelijkse leven komen bovendrijven. Ik vis ze graag op. Ik ben dan ook een visser en geen rokkenjager, wat jaren geleden door kwatongen over mij werd geroddeld. Er zijn twee zaken wat u over mijn expo ‘1975’ moet weten. Ten eerste, veel kunstwerken zijn zomaar in mijn schoot gevallen, gratis of voor een habbekrats. Een beetje zoals bij Jan Hoet zaliger. Maar Jan was een charlatan en aftroggelaar buiten categorie, op de grens van corruptie. Ik speelde het iets voorzichtiger en paste daarvoor op, mijn grenzen lagen dichter. Hoet verzamelde een fortuin aan kunstwerken die hij veroverde via allerlei minder orthodoxe wegen en omwegen, en meestal voor niks. Ik liep in zijn voetsporen. Het is een kwestie van maat te houden, de juiste relaties aan te spreken, de stoute schoenen aan te trekken en enige arrogantie aan de dag te leggen om bij een beroemde kunstenaar ongevraagd binnen te vallen, stroop aan zijn baard te smeren, hem vanalles wijs te maken, subsidies te beloven, allerlei faveurkes uit te delen, hem onder druk te zetten, desnoods het mes tegen zijn keel te plaatsen en dies meer. Kortom, de trukendoos bovenhalen. Ik was jarenlang minister, parlementair en burgemeester van Kortrijk, machtig en belangrijk dus, moet ik nog een tekening maken ? In de huidige politiek-correcte tijden zou dat gearrangeer niet meer lukken natuurlijk, integendeel, wat kan er heden ten dage nog en alles is strafbaar, maar toen ? Ach, alles kon, alles mocht, daar kraaide geen haan naar. Iedereen in de grote politiek deed uitbundig mee. Ik heb hoerenchance gehad, de buit is binnen. Ten tweede, ik heb een aantal mooie werken zelf gekocht op veilingen her en der, bij Debaveye in Bavikhove bijvoorbeeld en bij Christie’s in Londen. Tijdens mijn grote politieke jaren hebben wij goed geboerd, Mine en ik, we cumuleerden dat het een lieve lust was, verschillende lucratieve postjes en beroepen. Grootste advocatenbureau van Kortrijk en gecumuleerde wedden als burgemeester, parlementair en minister, die werden nog niet afgetopt. En Mine kluste lustig bij in diverse maandaatjes en postjes, haar toegeworpen door de politieke vriendenschare van die jaren. Dat waren tijden, vriend ! Nu is in de politiek het sop de kolen niet meer waard. Vandaar mijn Proximus postje, verre van een zwaar beroep. 140.000 euroots netto per jaar, dat tikt aan. Faut le faire. Het burgemeesterschap van Kortrijk kan mij gestolen worden. Ik laat het over aan de politieke crapuul Quickie. Dus konden Mine en ik het ons permitteren exclusieve kunstaankopen te doen bij grote veilinghuizen. Mijn loopbaan als minister bracht mij in contact met internationale artiesten van wereldklasse, zoals de Chinees schilder Li Songsang en Arne Quinze. Quinze heb ik laten vallen nadat bleek dat al zijn werk plagiaat is. In het atelier van Li in Chongqing werd ik als door de hands Gods geslagen bij de aanblik van een reusachtig doek van zes bij zes meters, onbeschilderd, met alleen in de linker benedenhoek in kardinaalsrode chinese karakters de handtekening van de meester. Nouvelle-vague stijl, dat was duidelijk. Had ik nog nooit gezien en wilde ik koste wat het kost aan mijn collectie toevoegen. Hetgeen lukte dankzij de milde sponsoring van societyvriend en politieke partner in crime Philippe Vlerick. Het maagdelijk doek hangt nu, ingekaderd, in de Sint-Audomaruskerk op Bissegemplatse. Volgens experten zou het werk een fortuin waard zijn. Eindelijk rijk. Mijn goede vriend artiest-nihilist-absurdist-nietsist Johan Van Geluwe uit Waregem omschrijft het als volgt : het hoofdkenmerk van de nouvelle-vague stijl is ‘transcendentele verveling’. Een heerlijke boutade. Ook dàt is Kunst met grote K !

Jarretel : Naar het schijnt hebben jullie nog meer kunstwerken aan de muren van de Damkaai hangen.

Stefaan : Natuurlijk, man, natuurlijk ! Ik schat onze verzameling op een kleine vijfhonderd. In de Valk hangt slechts 15 % van wat we bezitten. Wij kunnen dat niet allemaal tonen hé. Er is nu al beroering over onze collectie en roddels zijn niet uit de lucht. Wij hebben nog twee kelders, een zolder en een landhuisje in Zuid-Vrankrijk volhangen, niet alles kan aan de Damkaaimuren. Wij zijn de grootste kunstverzamelaars en kunstconnaisseurs van Kortrijk. Strafpleiter Jan Leysen wil concurreren, de sukkel. Leysen noemt zich eveneens een connaisseur en heeft een handvol tableau’s aan zijn muren hangen. Een paar oude dingetjes van Kamagurka en Herr Seele bijvoorbeeld, wat hij voor niks heeft verkregen, ‘voor bewezen diensten’ noemt hij dat. Ja, man. Ik ga er geen verdere commentaar aan vuilmaken en Jantje zeker niet belachelijk maken, hij is tenslotte een confrater met goede bedoelingen en zijn vrouwtje Christine De Puydt staat op de kieslijst van de tsjeven. Ik zie hen gaarne. Jan heeft ook twee jeugdwerkjes van nachtburgemeester-kunstenaar Adelbert, alias Bart Algoed, en een dozijn oude Unica poppen van na den oorlog 40/45. Waardeloos als u het mij vraagt. Er liggen nog honderden van die poppen op rommelmarkten en in kringloopwinkels. Daarmee is over de zogezegde kunstverzameling van Leysen alles gezegd. Verder organiseert Jan exposities over avant-garde kunst in de Paardenstallen. Verzamelingen oud ijzer, isomo, wrakhout, obussen, vijzen en bouten, uitlaatpijpen, pinnekensdraad van Bekaert, opgezette kanariepieten, Oosterse tapijten met gaten in, loden buizen, inbrekersgerief, boerenalaam, enzovoorts. Dat noemen ze daar Kuns’ ! Veelal onder de naam Liebaert Projects van Van Tendeloo. Wie dat ooit gezien heeft, heeft alle geloof in de mensheid verloren. Mijn kop zullen ze daar niet zien. Wel in Moma, Tate Modern en Deweer in Otegem. Verder wil ik nog iets kwijt over het cultuurbeleid in Kortrijk. Tentoonstellingen en kunstmanifestaties behoren tot het DNA van onze stad. Innovatie, creatie en design werden onder mijn burgemeesterschap het mantra van onze stadspolitiek op maat van Kortrijk, althans tot 2012. Waar staan we nu ? Nergens. Met Quickie is Kortrijk vervallen tot een pseudo commerçantenstadje met niets dan leegstand en verval. En Chinese frietkoten en nachtwinkels. Het is gedaan met de Kunst met grote K, behalve de grote K van K in Kortrijk waar alles draait rond buitenlandse winkelketens die heel de stad leegzuigen. Ik kots ervan. Allez, salut, see you in de Valk.

Dit bericht is geplaatst in Humor. Bookmark de permalink.